Leven in Vertrouwen

Hoe de geest het lichaam aanstuurt



Samenvatting van de 5 biologische natuurwetten


Eerste wet met zijn 3 criteria


1e criterium: 

Elk SBS (Significant Biologisch Speciaalprogramma) ontstaat door een inslag, het DHS (Dirk Hamer Syndroom). Dit is een onverwachte, acute en geïsoleerd ervaren beleving van een gebeuren of een situatie (conflict shock = emotioneel schokkende gebeurtenis).


2e criterium:

De aard van het conflict bepaalt de plaats van de HH (Hamerse Haard) in de hersenen en in welk orgaan het gerelateerde SBS zijn verloop zal hebben. De biologische associatie met de conflictinhoud, dus met welk gebeuren in de natuur deze situatie door de persoon subjectief wordt ervaren, gebeurt onbewust en in een fractie van een seconde en bepaalt het verloop van het speciaalprogramma.


3e criterium:

Alle SBS-en verlopen synchroon op 3 niveau’s: psyche, hersenen en orgaan.
Ze kunnen dus altijd op meerdere niveau’s worden gediagnosticeerd en gecontroleerd.


Opmerking:

Voedseldeficiëntie, vergiftiging of verwondingen kunnen resulteren in een disfunctie van een orgaan zonder inslag in de hersenen.



Tweede Wet: de tweefasigheid

Elk SBS verloop in 2 fasen, vooropgesteld dat er een oplossing komt voor het conflict: conflictolyse (CL) en dat het programma wordt afgerond. Voor het algemene verloop hiervan zie home en hersenen.



Derde wet: het ontogenetische systeem van kankers en kankerequivalenten

Het gehele organisme ontstaat vanuit 3 kiembladen, welke elk hun typische eigenschappen hebben aangaande de SBS-en.


Endoderm

Het endoderm vormt het meest basale overlevingssysteem: de opname, vertering en uitscheiding van zuurstof, water en voeding en de voortplanting. In de hersenen vormt het de hersenstam, van waaruit de conflicten die hiermee te maken hebben, worden aangestuurd.


Mesoderm

Het mesoderm bestaat uit 2 delen, het oud mesoderm en het nieuw mesoderm.

  • Oud mesoderm. Dit vormt de kleine hersenen, die weefsels aansturen die te maken hebben met de bescherming van het organisme en voeding van het nageslacht: onderhuid, vliezen en borstklieren.
  • Nieuw mesoderm. Dit vormt de witte stof in de grote of nieuwe hersenen, welke weefsels aanstuurt die te maken hebben met de stevigheid en voortbeweging van ons lichaam: botten, bindweefsel, spieren, pezen, kraakbeen, gewrichten, vetweefsel, lymfe en bloedvaten.


Oude hersenen

De hersenstam en de kleine hersenen vormen samen de oude hersenen. Weefsels die worden aangestuurd door de oude hersenen reageren met celvermeerdering in de CA-fase en met de afbouw van deze cellen door schimmels en TBC-bacteriën in de PCL fase.


Ectoderm

Hieruit is de cortex gevormd, welke een scala van functies aanstuurt die te maken hebben het functioneren van families, groepen en kuddes.


Nieuwe of grote hersenen

De witte stof van de grote hersenen (medulla) en de cortex vormen de nieuwe of grote hersenen. Weefsels die aangestuurd worden door de grote hersenen reageren met weefselafbouw of functieverandering in de CA-fase en een wederopvulling of functieherstel in de PCL-fase.



Vierde wet: het ontogenetische systeem van de microben

Ook microben horen bij een bepaald kiemblad en zijn alléén actief in weefsels die worden gevormd door het kiemblad waar ze bij horen. Ze passeren nooit de weefseldrempel!

  • Endoderm: schimmels en myco-bacteriën: bv. TBC-bacteriën.
  • Oude Mesoderm: myco-bacteriën.
  • Nieuwe Mesoderm: bacteriën (o.a. stafylokokken, streptokokken, spirocheten).
  • Ectoderm: eventueel virussen, als ze bestaan.



Vijfde wet, de essentie

Elke ziekte is onderdeel van een Significant Biologische Speciaalprogramma, gecreëerd om het organisme te assisteren in het vinden van een oplossing voor een biologisch conflict.
Elke proces heeft een speciale biologische functie en betekenis.


Opmerking

Vanuit de biologische wetten bestaan er geen hersentumoren en uitzaaiingen.



Biologische handigheid of lateraliteit

Of iemand biologisch links- of rechtshandig is, bepaalt aan welke kant van het lichaam en van de hersenen een inslag plaatsvindt. De handigheid wordt bepaald door de klaptest. Slaat de linkerhand bij het applaudisseren in de rechter, dan is de persoon linkshandig, slaat de rechterhand in de linker, dan is de persoon rechtshandig. 




Klaptest

Elk individu heeft een moeder-kind-zijde en een sociale zijde. Dat wil zeggen dat de symptomen van alle conflicten met betrekking tot de moeder of een kind zich op een bepaalde zijde van het lichaam manifesteren en de symptomen van alle conflicten met betrekking tot iemand anders (partner, vader, broers, zussen, familie, vrienden, baas, collegae, etc.) op de andere kant.
Voor de links klappende persoon is de moeder-kind-zijde de rechterkant en voor de rechtsklappende persoon is dat de linkerkant. Kortweg kun je zeggen dat de moeder-kind-kant de tegenoverliggende kant van de klaphand is. De sociale zijde is dus de zijde van de klaphand.

De klaptest is de meest betrouwbare manier om de biologische lateraliteit en dus de moeder-kind-kant en de sociale kant te bepalen. Het kan een andere uitkomst geven dan het links- of rechts zijn in het normale leven.

  • Mijn zoon is volledig links: linkshandig, linksvoetig, linksogig en linksorig. Toch klapt hij rechts.  
  • In elke lezing en workshop zijn er mensen die zich verbazen over hun manier van klappen. Men denkt rechtshandig te zijn, maar klapt links of omgekeerd.

In alle gevallen moet uitgegaan worden van de klaptest.


Uitzonderingen:

  • Ten aanzien van inslagen in de hersenstam speelt de biologische lateraliteit geen rol.
  • In het territoriumgebied wordt de plaats van inslag bepaald door het geslacht, de hormoonstatus en de biologische lateraliteit van de persoon. Dit heeft niets te maken met moeder-kind-zijde of sociale zijde. Meer informatie over het mechanisme van inslagen in het territoriumgebied wordt gegeven in de lezing "De Biologie van de Psyche", in de workshop "Bio-logica van Gedrag en Karakter" of module III van het 12-daagse seminar van Bert van Grondelle.


Er zijn ook andere manieren om een indicatie te krijgen over de biologische lateraliteit, bijvoorbeeld:

  • Met welke voet stap je voorwaarts als je voorover geduwd wordt?
  • In welke hand houd je een wandelstok als je loopt?